Stappenplan

1 Stap 1
Wat vraag je als hulpverlener precies na?

Vraag na of de client:

  • Minderjarige kinderen in huis heeft
  • De zorg voor de kinderen met iemand anders deelt
  • Een (ex)partner heeft met kinderen waarmee hij geregeld contact heeft
  • Zwanger is

Voorbeeldvragen:

  • Welke personen zijn belangrijk in jouw leven en op welke manier?
  • Hoe ervaar jij de vele rollen die je in het leven te vervullen hebt? Je rol als partner, moeder of vader, dochter of zoon, collega of werknemer, vriend of vriendin, etc.?
  • Hoe loopt het in je gezin? Wat loopt er goed en wat loopt er minder goed?
  • Wat maakt dat het goed loopt? Wat maakt dat het minder goed loopt?
  • Hoe gaat het met de opvoeding van de kinderen? In welke leeftijdsfase zitten ze en wat is er nu vooral aan de orde in hun opvoeding?
  • Sommige mensen putten kracht uit het ouderschap, het helpt hen bij hun herstel. Voor anderen is het een belasting, ze hebben het gevoel dat ze als ouder falen. Hoe ervaar jij het ouderschap? Hoe vind je het om kinderen te hebben?
  • Waar loop je zelf als ouder tegenaan en wat loopt er goed?
  • Zou je hulp kunnen gebruiken bij de opvoeding van de kinderen? Wat zou voor jou helpend zijn?
  • Zijn er mensen in je netwerk die je helpen bij de zorg voor de kinderen?

Hoe kan je op een open en niet-controlerende manier naar de kinderen en het ouderschap vragen?

Let als hulpverlener op je houding en houd rekening met volgende tips:

  • Stel open vragen. Dit zijn vragen die beginnen met wie, wat, waar, hoe en wanneer. Gesloten vragen wekken de indruk van een verhoor en kunnen weerstand oproepen.
  • Problematiseer niet. Geef de cliënt niet het gevoel een slechte ouder te zijn, maar spreek de cliënt op een positieve en bekrachtigende manier aan over de kinderen. Ga op zoek naar dingen die goed lopen en geef hier erkenning aan.
  • Stigmatiseer niet.Ga ervan uit dat iedere ouder het beste voor zijn kinderen wil. Ouders voelen vooroordelen aan, wat een nefaste invloed heeft op het verloop van het gesprek.
  • Veroordeel en verwijt niet. Wees mild tegenover je cliënt. Toon interesse en begrip en vel niet te snel een oordeel. Wanneer er problemen zijn, bedenk dan dat deze eerder een gevolg zijn van ‘niet kunnen’ en plaats van ‘niet willen’.
  • Controleer niet. Zorg ervoor dat het gesprek niet op een ondervraging over de opvoedcapaciteiten lijkt.
  • Wees transparant. Leg ouders uit dat het niet de bedoeling is om de informatie verkregen tijdens het gesprek door te spelen aan derden. Wanneer een verwijzing naar een andere instantie nodig blijkt, wees hierover dan eerlijk tegen de ouders en ondersteun hen hierin.
  • Wees oprecht geïnteresseerd. Toon interesse – niet enkel in het welzijn van de kinderen maar ook in hoe de cliënt het ouderschap ervaart.